Onderwerpen

Per onderwerp zie je wat je leert, waar het vaak misgaat en hoe je docent helpt. Tik aan waar jij vastloopt.

Het MULO-jaar is een richtlijn. Het verschilt per school en per boek. Neem je boek mee naar de les.

Algebra en functies

  • Machten en wortels

    MULO 1 en 2

    2⁵ = 32

    Je leert
    Rekenregels voor machten, zoals a² · a³ = a⁵ en (a²)³ = a⁶. Wortels vereenvoudigen, zoals √12 = 2√3.
    Hier gaat het vaak mis
    De regels raken door elkaar. Dan wordt (a²)³ ineens a⁵.Bijvoorbeeld: (a²)³ · a
    Zo helpt je docent
    We schrijven de machten eerst helemaal uit. Zo zie je elke regel zelf ontstaan.
  • Haakjes en ontbinden

    MULO 2 en 3

    x²3x3x9

    (x + 3)² = x² + 6x + 9

    Je leert
    Haakjes wegwerken, ook bij (a + b)² en (a + b)(a − b). Ontbinden in factoren, zoals x² − 4x − 21 = (x + 3)(x − 7).
    Hier gaat het vaak mis
    De bekendste fout is (x + 3)² = x² + 9. Het stuk 6x ontbreekt.Bijvoorbeeld: (x − 5)² uitwerken
    Zo helpt je docent
    We tekenen het kwadraat als een vierkant met vier vakken. Dan zie je het ontbrekende stuk.
  • Vergelijkingen oplossen

    MULO 1 en 2

    3 − 2(x + 2)7

    3 − 2(0 + 2) = −1 ≠ 7

    Je leert
    Eerstegraadsvergelijkingen oplossen met de balansmethode, ook met haakjes en breuken. Je antwoord controleren door in te vullen.
    Hier gaat het vaak mis
    Het gaat mis bij min-tekens, vooral bij een min voor de haakjes.Bijvoorbeeld: 3 − 2(x + 2) = 7
    Zo helpt je docent
    Je schrijft elke stap op een nieuwe regel. Zo vind je een fout snel terug.
  • Stelsels van vergelijkingen

    MULO 2 en 3

    x + y = 10x − y = 4

    P(3, 7): x − y = −4

    Je leert
    Twee vergelijkingen met twee onbekenden oplossen. Door ze op te tellen of door de ene in de andere in te vullen.
    Hier gaat het vaak mis
    Bij het aftrekken van twee vergelijkingen gaat een minteken vaak mis.Bijvoorbeeld: x + y = 10 en x − y = 4
    Zo helpt je docent
    We vullen elk antwoord in beide vergelijkingen in. Klopt het niet, dan zie je het meteen.
  • Intervallen

    MULO 3 en 4

    −1 < x ≤ 3 · x ∈ ⟨−1, 3]

    Je leert
    Een stuk van de getallenlijn schrijven als interval, zoals ⟨−2, 3]. Ongelijkheden oplossen en de oplossing als interval schrijven.
    Hier gaat het vaak mis
    Bij x < 3 hoort 3 er niet bij, dus de haak is open. Bij delen door een negatief getal draait het teken om.Bijvoorbeeld: Schrijf −2 < x ≤ 3 als interval
    Zo helpt je docent
    Je tekent de oplossing eerst op de getallenlijn. Daarna schrijf je pas het interval.
  • Eerstegraadsfuncties

    MULO 2

    12

    y = 2x + 1

    Je leert
    De formule y = ax + b. De richtingscoëfficiënt en het snijpunt met de y-as. Evenwijdige en loodrechte lijnen.
    Hier gaat het vaak mis
    a en b worden vaak verwisseld. Ook het teken van a gaat vaak mis.Bijvoorbeeld: De lijn door (1, 4) en (3, 10)
    Zo helpt je docent
    We tekenen elke lijn vanuit b: één stap opzij, a stappen omhoog.
  • Tweedegraadsvergelijkingen

    MULO 3

    x² − 4x − 21 = 0: x = −3 of x = 7

    Je leert
    Oplossen door ontbinden, kwadraat afsplitsen of met de abc-formule. Met de discriminant zie je hoeveel oplossingen er zijn.
    Hier gaat het vaak mis
    x² = 8 heeft twee oplossingen. De negatieve wordt vaak vergeten.Bijvoorbeeld: x² − 4x − 21 = 0
    Zo helpt je docent
    Je leert per som eerst de snelste methode kiezen. Daarna rekenen we die netjes uit.
  • Tweedegraadsfuncties en parabolen

    MULO 3

    y = x² − 6x + 1 · top (3, −8)

    Je leert
    De grafiek van y = ax² + bx + c. De top, de symmetrieas en de nulpunten. Wat a, b en c met de parabool doen.
    Hier gaat het vaak mis
    Het min-teken in x = −b ÷ 2a gaat vaak mis.Bijvoorbeeld: De top van y = x² − 6x + 1
    Zo helpt je docent
    We maken eerst een schets. Dan zie je of je top kan kloppen.

Meetkunde en goniometrie

  • Stelling van Pythagoras

    MULO 2

    512c

    c = √(5² + 12²) = √169 = 13

    Je leert
    Een zijde berekenen in een rechthoekige driehoek. Afstanden in een assenstelsel. Pythagoras in een ruimtefiguur.
    Hier gaat het vaak mis
    Bij een rechthoekszijde wordt vaak opgeteld in plaats van afgetrokken.Bijvoorbeeld: Schuine zijde 13, rechthoekszijde 5. Hoe lang is de andere?
    Zo helpt je docent
    Je wijst eerst de schuine zijde aan. Daarna weet je of je optelt of aftrekt.
  • Oppervlakte en omtrek

    MULO 1, 2 en 3

    d

    oppervlakte = π · 3² = 9π ≈ 28,27omtrek = π · 6 = 6π ≈ 18,85

    Je leert
    Omtrek en oppervlakte van driehoek, ruit, trapezium en cirkel. Delen van een cirkel, zoals een kwartcirkel. Antwoorden exact laten staan, met π.
    Hier gaat het vaak mis
    Omtrek en oppervlakte raken verwisseld. Samengestelde figuren lijken lastig.Bijvoorbeeld: Oppervlakte van een cirkel met middellijn 6
    Zo helpt je docent
    We delen elke figuur eerst op in stukken die je kent.
  • Afbeeldingen in het vlak

    MULO 2 en 3

    y = x

    P(2, 5) → P′(5, 2)

    Je leert
    Verschuiven, spiegelen en draaien. De coördinaten van het beeld berekenen. Twee afbeeldingen na elkaar.
    Hier gaat het vaak mis
    Origineel en beeld worden verwisseld. Bij spiegelen in y = x ruilen x en y van plaats.Bijvoorbeeld: Spiegel P(2, 5) in de lijn y = x
    Zo helpt je docent
    We tekenen eerst op ruitjespapier. Daarna rekenen we met coördinaten.
  • Sinus, cosinus en tangens

    MULO 3 · wiskunde B

    BC = 10 · sin 30° = 5AC = 10 · cos 30° ≈ 8,66

    Je leert
    Zijden en hoeken berekenen in een rechthoekige driehoek. De rekenmachine goed gebruiken, ook sin⁻¹.
    Hier gaat het vaak mis
    Welke zijde overstaand is en welke aanliggend, hangt af van de hoek. Daar gaat het vaak mis.Bijvoorbeeld: Hoek C is 90°, AB = 10 en hoek A = 30°. Bereken BC.
    Zo helpt je docent
    We markeren eerst de hoek, dan de zijden. Je rekenmachine staat altijd op DEG.
  • Goniometrie op de eenheidscirkel

    MULO 3 · wiskunde B

    α = 30°: sin α = 0,5 · cos α ≈ 0,87

    Je leert
    Sinus en cosinus van elke hoek, ook boven 90°. sin²α + cos²α = 1. Vergelijkingen zoals sin α = 0,5.
    Hier gaat het vaak mis
    Leerlingen leren tabellen uit hun hoofd zonder te zien waarom ze kloppen.Bijvoorbeeld: Los op: sin α = 0,5, met α tussen 0° en 360°
    Zo helpt je docent
    Op de eenheidscirkel zie je waarom sin 140° gelijk is aan sin 40°. Dan hoef je minder te onthouden.
  • Sinusregel en cosinusregel

    MULO 4 · wiskunde B

    c² = 49 + 64 − 112 · cos 60° = 57c = √57 ≈ 7,55

    Je leert
    Zijden en hoeken berekenen in een driehoek zonder rechte hoek.
    Hier gaat het vaak mis
    Kiezen welke regel past is het lastigst.Bijvoorbeeld: a = 7, b = 8 en hoek C = 60°. Bereken c.
    Zo helpt je docent
    Je leert één vaste vraag: welke drie dingen weet je? Het antwoord kiest de regel.
  • Lijnen en cirkels

    MULO 4 · wiskunde B

    M(2, −1): (x − 2)² + (y + 1)² = 13

    Je leert
    De vergelijking van een cirkel: (x − a)² + (y − b)² = r². Snijpunten van een lijn en een cirkel. De raaklijn aan een cirkel.
    Hier gaat het vaak mis
    Het middelpunt wordt met het verkeerde teken afgelezen.Bijvoorbeeld: Middelpunt en straal van (x − 2)² + (y + 1)² = 13
    Zo helpt je docent
    We tekenen eerst. De raaklijn staat loodrecht op de straal, en dat zie je op papier.

Waar loop je vast?

0 gekozen

Nog niets gekozen. Tik bij elk onderwerp aan waar je vastloopt.