Goniometrie op de eenheidscirkel · 9 min lezen
Sinus en cosinus op de eenheidscirkel
Draai een punt rond een cirkel met straal 1 en zie waarom sin 140° = sin 40° en waarom sin α = 0,5 twee hoeken geeft.
Stel je een reuzenrad voor op de kermis. Je bakje begint rechts, precies op de hoogte van de as, en het rad draait linksom. Je gaat eerst naar de top, dan naar links, dan naar de bodem en weer terug. Met sinus en cosinus reken je voor elke draaihoek uit waar je bakje is: hoe hoog, en hoe ver naar links of rechts. Het hulpmiddel daarvoor is de eenheidscirkel.
Van driehoek naar eenheidscirkel
Sinus, cosinus en tangens ken je misschien al uit de rechthoekige driehoek. Het ezelsbruggetje is SOS CAS TOA:
sin α = overstaand ÷ schuin
cos α = aanliggend ÷ schuin
tan α = overstaand ÷ aanliggend
Neem de driehoek met zijden 3, 4 en 5. De hoek α ligt tegenover de zijde van 3. Dan:
sin α = 3 ÷ 5 = 0,6
cos α = 4 ÷ 5 = 0,8
Deel nu alle zijden door 5. De vorm blijft hetzelfde, dus de hoek α ook. De zijden worden 0,6, 0,8 en 1. Met een schuine zijde van 1 hoef je niet meer te delen. sin α is dan gewoon de overstaande zijde, en cos α de aanliggende.
alle zijden ÷ 5
Toon de getallen
| Zijde | Driehoek 3, 4, 5 | Gedeeld door 5 |
|---|---|---|
| overstaand | 3 | 0,6 |
| aanliggend | 4 | 0,8 |
| schuin | 5 | 1 |
Leg die kleine driehoek in een assenstelsel, met de hoek α in de oorsprong O. Het hoekpunt P ligt dan op een cirkel met straal 1: de eenheidscirkel. Voor P geldt:
x = cos α
y = sin α
Dit is de afspraak voor elke hoek, ook voor hoeken boven 90°. Daar past geen rechthoekige driehoek meer, maar een punt P op de cirkel heb je altijd.
Draai P rond de cirkel
Een hoek meet je vanaf de positieve x-as, linksom. Sleep P hieronder rond, of gebruik de schuifbalk. De lijn langs de x-as is cos α. De lijn omhoog of omlaag is sin α.
- cos 40° (x)
- ≈ 0,766
- sin 40° (y)
- ≈ 0,643
- tan 40°
- ≈ 0,839
- Kwadrant
- I: cos +, sin +
Toon de tekens per kwadrant
| Kwadrant | Hoeken | cos | sin | tan |
|---|---|---|---|---|
| I | 0° < α < 90° | + | + | + |
| II | 90° < α < 180° | − | + | − |
| III | 180° < α < 270° | − | − | + |
| IV | 270° < α < 360° | + | − | − |
De assen verdelen de cirkel in vier kwadranten. In elk kwadrant hebben x en y een vast teken, en dus cos α en sin α ook:
- Kwadrant I, van 0° tot 90°: cos +, sin +
- Kwadrant II, van 90° tot 180°: cos −, sin +
- Kwadrant III, van 180° tot 270°: cos −, sin −
- Kwadrant IV, van 270° tot 360°: cos +, sin −
Voorbeeld: α = 140°. P ligt in kwadrant II, links van de y-as en boven de x-as. De x is negatief en de y positief:
cos 140° ≈ −0,766
sin 140° ≈ 0,643
Op de assen komen de getallen precies uit. Bij 90° staat P bovenaan, in (0; 1). Dus cos 90° = 0 en sin 90° = 1. Bij 180° staat P links, in (−1; 0): cos 180° = −1 en sin 180° = 0. Bij 270° staat P onderaan: sin 270° = −1.
Waarom sin 140° = sin 40°
Spiegel P bij 40° in de y-as. Het spiegelbeeld P′ ligt bij 180° − 40° = 140°. Beide punten liggen even hoog. De y is dus gelijk, en daarmee de sinus. De x wisselt alleen van teken.
- sin 40°
- ≈ 0,643
- sin 140°
- ≈ 0,643
- cos 40°
- ≈ 0,766
- cos 140°
- ≈ −0,766
Toon de getallen
| Hoek | sin α | cos α |
|---|---|---|
| 40° | 0,643 | 0,766 |
| 140° | 0,643 | −0,766 |
sin(180° − α) = sin α
cos(180° − α) = −cos α
Voorbeeld: je weet dat sin 20° ≈ 0,342. Omdat 160° = 180° − 20°, weet je dan ook sin 160°:
sin 160° = sin 20° ≈ 0,342
cos(−α) = cos α
Een negatieve hoek draai je rechtsom. Bij −40° kom je uit op het spiegelbeeld van P in de x-as. Dat punt ligt recht onder P: dezelfde x, maar de y met het andere teken.
- cos 40°
- ≈ 0,766
- cos(−40°)
- ≈ 0,766
- sin 40°
- ≈ 0,643
- sin(−40°)
- ≈ −0,643
Toon de getallen
| Hoek | sin α | cos α |
|---|---|---|
| 40° | 0,643 | 0,766 |
| −40° | −0,643 | 0,766 |
cos(−α) = cos α
sin(−α) = −sin α
Dus cos(−40°) = cos 40° ≈ 0,766 en sin(−40°) = −sin 40° ≈ −0,643. De hoek −40° geeft hetzelfde punt als 360° − 40° = 320°. In de draaibare cirkel hierboven zie je beide spiegelingen voor elke hoek. Zet ze aan met de knoppen.
Pythagoras en tangens
Kijk weer naar de driehoek in de cirkel. De rechthoekszijden zijn cos α en sin α, de schuine zijde is 1. Pythagoras geeft:
sin²α + cos²α = 1
Hier betekent sin²α hetzelfde als (sin α)². Controleer het met de driehoek 0,6, 0,8 en 1:
0,6² + 0,8² = 0,36 + 0,64 = 1
Het geldt voor elke hoek. P ligt altijd op de cirkel, dus x² + y² = 1. Een min verdwijnt door het kwadraat vanzelf. Bij 140° geeft het, op drie decimalen: 0,413 + 0,587 = 1,000.
cos²α + sin²α = 0,8² + 0,6² = 0,64 + 0,36 = 1
tan α = 0,6 ÷ 0,8 = 0,75
Toon de getallen
| cos α | sin α | tan α | α |
|---|---|---|---|
| 0,8 | 0,6 | 0,75 | ≈ 36,9° |
Met deze regel vind je cos α als je sin α kent. Voorbeeld: sin α = 0,6 en α ligt in kwadrant II.
cos²α = 1 − 0,6² = 1 − 0,36 = 0,64
cos α = −√0,64 = −0,8
De wortel geeft 0,8 of −0,8. In kwadrant II is de cosinus negatief, dus cos α = −0,8. De hoek zelf is ongeveer 143,1°.
De tangens volgt uit de sinus en de cosinus:
tan α = sin α ÷ cos α
Bij de driehoek 3, 4, 5 geeft dat 0,6 ÷ 0,8 = 0,75. Dat is precies overstaand ÷ aanliggend = 3 ÷ 4. In de tekening is tan α de hoogte waar de lijn door O en P de lijn x = 1 raakt. Bij 45° zijn sin α en cos α gelijk, dus tan 45° = 1. Bij 90° is cos α = 0. Delen door 0 kan niet, dus tan 90° bestaat niet.
De grafieken van 0° tot 360°
Zet de hoek horizontaal en de y van P verticaal. Dan krijg je de grafiek van sin α. Doe hetzelfde met de x van P, en je krijgt cos α. Sleep de verticale lijn, tik op de grafiek of gebruik de schuifbalk. P in de cirkel hierboven draait mee.
- sin 40°
- ≈ 0,643
- cos 40°
- ≈ 0,766
Toon de getallen
| Hoek α | sin α | cos α |
|---|---|---|
| 0° | 0,000 | 1,000 |
| 30° | 0,500 | 0,866 |
| 45° | 0,707 | 0,707 |
| 60° | 0,866 | 0,500 |
| 90° | 1,000 | 0,000 |
| 120° | 0,866 | −0,500 |
| 135° | 0,707 | −0,707 |
| 150° | 0,500 | −0,866 |
| 180° | 0,000 | −1,000 |
| 210° | −0,500 | −0,866 |
| 225° | −0,707 | −0,707 |
| 240° | −0,866 | −0,500 |
| 270° | −1,000 | 0,000 |
| 300° | −0,866 | 0,500 |
| 315° | −0,707 | 0,707 |
| 330° | −0,500 | 0,866 |
| 360° | 0,000 | 1,000 |
Wat je in de grafiek ziet:
- sin α begint bij 0, is 1 bij 90°, 0 bij 180°, −1 bij 270° en weer 0 bij 360°.
- cos α begint bij 1, is 0 bij 90°, −1 bij 180°, 0 bij 270° en weer 1 bij 360°.
- Beide golven blijven tussen −1 en 1, want P ligt op een cirkel met straal 1.
- De cosinusgrafiek is de sinusgrafiek, 90° naar links geschoven: cos α = sin(α + 90°).
De sinusgrafiek is de hoogte van je bakje in het reuzenrad, gemeten vanaf de as. Heeft het rad een straal van 10 m, dan is alles 10 keer zo groot. Na een draai van 30° zit je 10 × sin 30° = 10 × 0,5 = 5 m boven de as.
sin α = 0,5 oplossen
Zoek alle hoeken tussen 0° en 360° met sin α = 0,5. De rekenmachine geeft er één, met de omgekeerde sinus:
sin⁻¹(0,5) = 30°
Er is nog een tweede hoek. De lijn y = 0,5 snijdt de cirkel twee keer. Het tweede punt is het spiegelbeeld in de y-as:
α = 180° − 30° = 150°
- sin 30°
- = 0,5
- sin 150°
- = 0,5
Toon de getallen
| Hoek α | sin α |
|---|---|
| 30° | 0,5 |
| 150° | 0,5 |
Controle: sin 150° = sin 30° = 0,5. In de grafiek zie je hetzelfde. De lijn y = 0,5 snijdt de sinusgolf bij 30° en bij 150°.
Bij een negatieve waarde werkt het net zo. Los op: sin α = −0,5. De rekenmachine geeft sin⁻¹(−0,5) = −30°. Die hoek is hetzelfde punt als 360° − 30° = 330°. Het spiegelbeeld in de y-as ligt bij 180° + 30° = 210°. Dus α = 210° of α = 330°.
Bij de cosinus spiegel je in de x-as. Los op: cos α = 0,5. De rekenmachine geeft cos⁻¹(0,5) = 60°. De tweede oplossing is 360° − 60° = 300°.
Probeer het zelf
Los op: cos α = −0,5, met 0° ≤ α ≤ 360°.
Bekijk het antwoord
cos⁻¹(−0,5) = 120°. Spiegel in de x-as: 360° − 120° = 240°. Dus α = 120° of α = 240°. Beide punten liggen links van de y-as, op x = −0,5.
sin α = 0,8 en α ligt in kwadrant II. Bereken cos α en tan α.
Bekijk het antwoord
cos²α = 1 − 0,8² = 1 − 0,64 = 0,36, dus cos α = 0,6 of −0,6. In kwadrant II is de cosinus negatief: cos α = −0,6. Dan tan α = 0,8 ÷ −0,6 = −43 ≈ −1,33.
Een reuzenrad heeft een straal van 10 m. De as staat 12 m boven de grond. Je bakje begint rechts, op de hoogte van de as, en het rad draait linksom. Hoe hoog boven de grond zit je na een draai van 210°?
Bekijk het antwoord
Je hoogte ten opzichte van de as is 10 × sin 210°. Hierboven zag je al dat sin 210° = −0,5. Dus 10 × −0,5 = −5: je zit 5 m onder de as. Boven de grond is dat 12 − 5 = 7 m.
Lees ook
Machten en wortels
Machten en wortels: de rekenregels
Wat een macht is, de vier rekenregels, negatieve exponenten en hoe je √72 vereenvoudigt. Met figuren waarin je schuift en telt.
Vergelijkingen oplossen
Vergelijkingen oplossen: balans en grafiek
Los vergelijkingen op met de balansmethode, met haakjes en breuken, met twee lijnen en met x², van ontbinden tot de abc-formule.
Stelling van Pythagoras
Pythagoras in het vlak en in de ruimte
Waarom a² + b² = c² klopt, hoe je een zijde uitrekent, hoe je een rechte hoek controleert en hoe je afstanden en ruimtediagonalen vindt.