Terug naar de blog

Vergelijkingen oplossen · 8 min lezen

Vergelijkingen oplossen: balans en grafiek

Los vergelijkingen op met de balansmethode, met haakjes en breuken, met twee lijnen en met x², van ontbinden tot de abc-formule.

Stel je een marktkraam voor met een ouderwetse weegschaal: een balk met aan elke kant een schaal. Er liggen zakjes die allemaal even zwaar zijn, maar niemand weet hoe zwaar. Noem dat gewicht x.

Links liggen 4 zakjes. Aan die schaal hangt ook een ballon die 5 omhoog trekt. Rechts liggen 2 zakjes en een gewicht van 9. De weegschaal hangt precies recht. In wiskunde schrijf je dat zo:

4x − 5 = 2x + 9

Het =-teken is de weegschaal in evenwicht. Een vergelijking oplossen betekent: uitzoeken hoe zwaar één zakje is.

De balansmethode

De regel is kort: wat je aan de ene kant doet, doe je ook aan de andere kant. Dan blijft de weegschaal recht. Haal je links iets weg en rechts niet, dan slaat hij door.

Probeer het hieronder. Kies bij elke stap een knop. De ene knop houdt de weegschaal recht, de andere niet.

Los 4x − 5 = 2x + 9 op met de weegschaal
xxxx−5xx9
  1. 4x − 5 = 2x + 9
Elk zakje is x. Een gewicht telt mee, een ballon trekt omhoog. Een eerlijke stap houdt de weegschaal recht.

Op papier ziet het er zo uit. Achter de streep staat wat je aan beide kanten doet.

4x − 5 = 2x + 9 | −2x
2x − 5 = 9 | +5
2x = 14 | ÷2
x = 7

Controleer altijd je antwoord. Vul x = 7 in aan beide kanten:

4 × 7 − 5 = 28 − 5 = 23
2 × 7 + 9 = 14 + 9 = 23

Beide kanten zijn 23. De weegschaal klopt, dus x = 7 is goed. Elk zakje weegt 7.

Haakjes en breuken

Staan er haakjes in de vergelijking, werk die dan eerst weg. Het getal voor de haakjes gaat keer elke term binnen de haakjes. Let op het teken: bij 3 − 2(x + 2) hoort het minteken bij de 2.

Haakjes wegwerken
3−2(x+2)=73− 2x− 4=7
  • −2 × x = −2x
  • −2 × 2 = −4
De −2 gaat keer de x en keer de 2. Het minteken gaat mee.

Nu de hele vergelijking, stap voor stap:

3 − 2(x + 2) = 7
3 − 2x − 4 = 7
−2x − 1 = 7 | +1
−2x = 8 | ÷(−2)
x = −4

Controle: 3 − 2 × (−4 + 2) = 3 − 2 × (−2) = 3 + 4 = 7. Klopt.

Breuken maak je eerst kwijt. Vermenigvuldig beide kanten met de kleinste gemeenschappelijke noemer. Neem deze vergelijking:

x + 12 − x3 = 2

De noemers zijn 2 en 3. Het kleinste getal waar ze allebei in passen is 6. Doe elke term keer 6:

6 × x + 12 = 3(x + 1)
6 × x3 = 2x
6 × 2 = 12

Zet de haakjes om x + 1, want de hele teller gaat keer 3. Daarna is het een gewone vergelijking:

3(x + 1) − 2x = 12
3x + 3 − 2x = 12
x + 3 = 12 | −3
x = 9

Controle: (9 + 1) ÷ 2 − 9 ÷ 3 = 5 − 3 = 2. Klopt.

Twee lijnen die elkaar snijden

Je kunt elke kant van een vergelijking ook als lijn tekenen. Bij 4x − 5 = 2x + 9 zijn dat y = 4x − 5 en y = 2x + 9. Waar de lijnen elkaar snijden, hebben ze dezelfde y. Daar zijn de twee kanten dus gelijk. De x van het snijpunt is de oplossing.

Twee lijnen, één vergelijking

Lijn 1: y = ax + b

Lijn 2: y = cx + d

  • Lijn 1: y = 4x − 5
  • Lijn 2: y = 2x + 9
−30−20−100102030−10−50510xy(7; 23)
Vergelijking
4x − 5 = 2x + 9
Oplossing
x = 7
Snijpunt
(7; 23)
Schuif met a, b, c en d. Waar de lijnen elkaar snijden, is links gelijk aan rechts. Tik of beweeg over de grafiek om waarden af te lezen.
Toon de getallen
xLijn 1Lijn 2
−10−45−11
−8−37−7
−6−29−3
−4−211
−2−135
0−59
2313
41117
61921
82725
103529

Het snijpunt is (7; 23). Dus x = 7, en beide kanten zijn dan 23. Dat zijn dezelfde getallen als bij de controle.

Schuif nu zo dat a = c. De lijnen zijn dan even steil. Er kunnen twee dingen gebeuren:

  • Is b niet gelijk aan d, dan lopen de lijnen evenwijdig. Ze snijden nooit, dus er is geen oplossing.
  • Is b ook gelijk aan d, dan liggen de lijnen op elkaar. Dan is elke x een oplossing.

Zo los je een bekende toetsvraag op: voor welke a en b heeft 5x + 6 = ax + b geen oplossing? Breng alles met x naar links en de rest naar rechts:

5x − ax = b − 6
(5 − a)x = b − 6

  • Is a niet 5, dan deel je door 5 − a. Er is precies één oplossing.
  • Is a = 5, dan staat er 0 = b − 6. Is b niet 6, dan klopt dat nooit: geen oplossing.
  • Is a = 5 en b = 6, dan staat er 0 = 0. Dat klopt voor elke x.

Het antwoord: a = 5 en b is elk getal behalve 6. Zie je het in de grafiek? Zet lijn 1 op a = 5 en b = 6. Zet lijn 2 op c = 5 en schuif met d.

Vergelijkingen met x²

Staat er een x² in, dan heb je een tweedegraadsvergelijking. Die heeft vaak twee oplossingen. Begin met de eenvoudigste:

x² = 8

Je zoekt een getal dat keer zichzelf 8 is. Dat is √8, maar ook −√8, want min keer min is plus.

x = −√8 of x = √8

Je kunt √8 vereenvoudigen: √8 = √(4 × 2) = 2√2 ≈ 2,83. Dus x = −2√2 of x = 2√2, kort: x = ±2√2.

In de grafiek zie je waarom er twee zijn. De lijn y = 8 snijdt y = x² links en rechts, even ver van 0.

x² = k heeft twee, één of geen oplossing
  • y = x²
  • y = 8
0102030−6−4−20246−2,832,83
Twee oplossingen
x = −√8 = −2√2 ≈ −2,83 of x = √8 = 2√2 ≈ 2,83
Schuif k. De lijn y = k snijdt y = x² links en rechts van 0, even ver weg.
Toon de getallen
xx²
−636
−525
−416
−39
−24
−11
00
11
24
39
416
525
636

Schuif k onder 0. Dan raakt de lijn de grafiek nergens meer, want een kwadraat is nooit negatief. Bij k = 0 is er precies één oplossing: x = 0.

Ontbinden in factoren

Neem x² − 4x − 21 = 0. Zoek twee getallen die keer elkaar −21 zijn en samen −4. Dat zijn −7 en 3, want −7 × 3 = −21 en −7 + 3 = −4. Dan:

x² − 4x − 21 = 0
(x − 7)(x + 3) = 0

Nu helpt één regel: als een product 0 is, dan is een van de factoren 0. Twee getallen keer elkaar geven alleen 0 als een van de twee 0 is.

x − 7 = 0 of x + 3 = 0
x = 7 of x = −3

Controle: 7² − 4 × 7 − 21 = 49 − 28 − 21 = 0 en (−3)² − 4 × (−3) − 21 = 9 + 12 − 21 = 0. Klopt.

Zorg eerst dat er aan één kant 0 staat. De regel werkt alleen bij = 0.

De abc-formule

Niet elke vergelijking is makkelijk te ontbinden. De abc-formule werkt altijd. Schrijf de vergelijking als ax² + bx + c = 0, met a niet 0. Reken eerst de discriminant uit:

D = b² − 4ac

De discriminant beslist hoeveel oplossingen er zijn:

  • D > 0: twee oplossingen.
  • D = 0: één oplossing.
  • D < 0: geen oplossing, want uit een negatief getal kun je geen wortel trekken.

Is D niet negatief, dan zijn de oplossingen:

x = −b − √D2a of x = −b + √D2a

Voor x² − 4x − 21 = 0 is a = 1, b = −4 en c = −21:

D = (−4)² − 4 × 1 × (−21) = 16 + 84 = 100
x = 4 − 102 = −3 of x = 4 + 102 = 7

Dat zijn dezelfde oplossingen als bij het ontbinden. Schuif hieronder met a, b en c en kijk wat D doet.

De abc-formule

x² − 4x − 21 = 0

−10−50510−37
D = b² − 4ac
(−4)² − 4 × 1 × (−21) = 16 + 84 = 100
D > 0: twee oplossingen
x = −3 of x = 7
Schuif met a, b en c. De discriminant D beslist hoeveel stippen er op de getallenlijn staan.

Probeer het zelf

Los op: 5(x − 3) = 2x + 9.

Bekijk het antwoord

Haakjes weg: 5x − 15 = 2x + 9. Dan −2x aan beide kanten: 3x − 15 = 9. Dan +15: 3x = 24. Deel door 3: x = 8. Controle: 5 × (8 − 3) = 25 en 2 × 8 + 9 = 25.

Los op: x ÷ 3 + x ÷ 4 = 7.

Bekijk het antwoord

De kleinste gemeenschappelijke noemer is 12. Elke term keer 12 geeft 4x + 3x = 84. Dus 7x = 84 en x = 12. Controle: 12 ÷ 3 + 12 ÷ 4 = 4 + 3 = 7.

Los op: x² + 2x − 4 = 0. Geef de exacte oplossingen.

Bekijk het antwoord

Hier is a = 1, b = 2 en c = −4. D = 2² − 4 × 1 × (−4) = 4 + 16 = 20, en √20 = √(4 × 5) = 2√5. Dus x = (−2 − 2√5) ÷ 2 = −1 − √5 of x = (−2 + 2√5) ÷ 2 = −1 + √5. Afgerond is dat x ≈ −3,24 of x ≈ 1,24.

Lees ook