Eerstegraadsfuncties · 8 min lezen
Eerstegraadsfuncties: de rechte lijn y = ax + b
Wat a en b doen in y = ax + b, en hoe je de formule vindt van de lijn door twee punten.
Stel: een taxi vraagt 20 SRD om in te stappen. Daarna betaal je 5 SRD per kilometer. Een rit van 7 km kost dan 20 + 5 × 7 = 55 SRD. Elke kilometer erbij kost precies 5 SRD meer. Zet je de prijs uit tegen de afstand, dan krijg je een rechte lijn.
Een formule die een rechte lijn geeft, heet een eerstegraadsfunctie. In dit artikel zie je wat de getallen in zo'n formule doen. Daarna stel je zelf zo'n formule op.
Twee getallen: a en b
Elke eerstegraadsfunctie kun je zo schrijven:
y = ax + b
- b is het snijpunt met de y-as. Vul x = 0 in: dan staat er y = a × 0 + b = b. De lijn gaat dus door (0; b).
- a is de richtingscoëfficiënt. Die zegt hoe steil de lijn is. Ga je 1 stap naar rechts, dan ga je a stappen omhoog.
Schuif hieronder met a en b. De grafiek begint bij y = 2x − 1. Het gestreepte trapje begint in (0; b): 1 stap opzij en dan a stappen omhoog.
y = 2x − 1
- Grafiek
- 1 opzij, a omhoog
- Snijpunt met de y-as
- Richtingscoëfficiënt
- a = 2
- Snijpunt met de y-as
- (0; −1)
- De lijn
- stijgt
Toon de getallen
| x | y |
|---|---|
| −3 | −7 |
| −2 | −5 |
| −1 | −3 |
| 0 | −1 |
| 1 | 1 |
| 2 | 3 |
| 3 | 5 |
Dit zie je:
- Is a positief, dan stijgt de lijn van links naar rechts.
- Is a negatief, dan daalt de lijn. Bij 1 stap naar rechts ga je dan omlaag.
- Is a = 0, dan loopt de lijn horizontaal. De formule is dan y = b.
- Hoe verder a van 0 af ligt, hoe steiler de lijn.
- b verandert de helling niet. b schuift de hele lijn omhoog of omlaag.
Van tabel naar lijn
Bij y = 2x − 1 maak je een tabel. Kies een paar waarden voor x en reken y uit:
x = 0: y = 2 × 0 − 1 = −1
x = 1: y = 2 × 1 − 1 = 1
x = 2: y = 2 × 2 − 1 = 3
Teken de punten (0; −1), (1; 1) en (2; 3) en trek er een lijn door. Twee punten zijn genoeg voor een rechte lijn. Het derde punt is een controle. Ligt het niet op de lijn, dan zit er ergens een rekenfout.
Kijk nu naar de y-waarden: −1, 1 en 3. Elke keer komt er 2 bij. Dat is geen toeval. Gaat x 1 omhoog, dan gaat y precies a omhoog. Bij een rechte lijn is die stap altijd even groot.
Andersom werkt het ook. Bij een tabel vind je zo de formule:
- De stap in y, als x steeds 1 groter wordt, is a.
- De y bij x = 0 is b.
Kies hieronder een tabel en kijk naar de rij met stappen.
- Lijn
- Punten uit de tabel
| x | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| y | −1 | 1 | 3 | 5 | 7 |
| stap | +2 | +2 | +2 | +2 |
Steeds dezelfde stap, dus een rechte lijn: y = 2x − 1
Tabel A heeft steeds stap +2, en bij x = 0 hoort y = −1. Dat geeft y = 2x − 1. Tabel B heeft steeds stap −0,5 en begint bij 3. Dat geeft y = −0,5x + 3. Tabel C heeft de stappen −1, +1, +3 en +5. Die stappen zijn niet gelijk. De punten liggen op een kromme, niet op een lijn.
De lijn door twee punten
Op een toets krijg je vaak deze vraag: geef de formule van de lijn door A(1; 4) en B(3; 10). Dat gaat in twee stappen.
Stap 1: bereken a. Kijk hoeveel je opzij gaat en hoeveel omhoog. Opzij heet Δx en omhoog heet Δy. Je spreekt dat uit als delta x en delta y.
Δx = 3 − 1 = 2
Δy = 10 − 4 = 6
a = Δy ÷ Δx = 6 ÷ 2 = 3
Stap 2: bereken b. Vul a en één punt in y = ax + b in. Neem A(1; 4):
4 = 3 × 1 + b
4 = 3 + b
b = 1
De formule is y = 3x + 1. Controleer met het andere punt: 3 × 3 + 1 = 10. Dat klopt.
Sleep A en B hieronder naar andere plekken. De formule rekent mee.
y = 3x + 1
- Lijn door A en B
- Δx opzij, Δy omhoog
- A
- (1; 4)
- B
- (3; 10)
- Δx
- 3 − 1 = 2
- Δy
- 10 − 4 = 6
- Richtingscoëfficiënt
- a = 6 ÷ 2 = 3
- Snijpunt met de y-as
- b = 4 − 3 × 1 = 1
Bij een dalende lijn gaat het net zo. Neem A(−1; 5) en B(2; −1):
Δx = 2 − (−1) = 3
Δy = −1 − 5 = −6
a = −6 ÷ 3 = −2
Vul A in: 5 = −2 × (−1) + b. Dan 5 = 2 + b, dus b = 3. De formule is y = −2x + 3. De lijn daalt, dus a is negatief.
Een formule uit een verhaal
Terug naar de taxi. Je betaalt 20 SRD om in te stappen en 5 SRD per km. Noem de afstand x, in km. Noem de prijs y, in SRD:
y = 5x + 20
Het vaste bedrag aan het begin is b = 20. Het bedrag per kilometer is a = 5. Zo gaat het bij elk verhaal met een vast begin en een vaste stap. Het beginbedrag is b. Wat er per stap bijkomt, is a.
- Prijs van de rit
- Instappen: 20 SRD
- Prijs
- 20 + 5 × 7 = 55 SRD
Toon de getallen
| Afstand | Prijs |
|---|---|
| 0 km | 20 SRD |
| 2 km | 30 SRD |
| 4 km | 40 SRD |
| 6 km | 50 SRD |
| 8 km | 60 SRD |
| 10 km | 70 SRD |
| 12 km | 80 SRD |
Andersom kan ook. Stel dat je 60 SRD hebt. Dan los je deze vergelijking op:
5x + 20 = 60
5x = 40
x = 8
Je komt 8 km ver. Zet de schuif op 8 km om het te controleren.
Waar twee lijnen elkaar snijden
Taxi B vraagt 8 SRD om in te stappen en 7 SRD per km. Daarbij hoort y = 7x + 8. Taxi B is goedkoper om in te stappen, maar duurder per kilometer. Bij één afstand kosten ze evenveel. Daar snijden de twee lijnen elkaar.
Zet de twee formules aan elkaar gelijk:
5x + 20 = 7x + 8
20 − 8 = 7x − 5x
12 = 2x
x = 6
Bij 6 km kosten ze allebei 5 × 6 + 20 = 50 SRD. Het snijpunt is (6; 50). Voor kortere ritten is taxi B goedkoper. Voor langere ritten is taxi A goedkoper.
Verander hieronder de prijzen van taxi B.
- Taxi A: y = 5x + 20
- Taxi B: y = 7x + 8
- Snijpunt
- Vergelijking
- 5x + 20 = 7x + 8
- Snijpunt
- (6; 50)
Tot 6 km is Taxi B goedkoper. Daarna is Taxi A goedkoper.
Toon de getallen
| Afstand (km) | Taxi A | Taxi B |
|---|---|---|
| 0 | 20 SRD | 8 SRD |
| 2 | 30 SRD | 22 SRD |
| 4 | 40 SRD | 36 SRD |
| 6 | 50 SRD | 50 SRD |
| 8 | 60 SRD | 64 SRD |
| 10 | 70 SRD | 78 SRD |
| 12 | 80 SRD | 92 SRD |
Zet taxi B op 5 SRD per km. Dan hebben beide lijnen dezelfde a. Ze lopen evenwijdig en snijden elkaar nooit. Dat zie je ook aan de vergelijking. Neem een instapprijs van 8 SRD:
5x + 20 = 5x + 8
20 = 8
Dat kan niet. Er is geen oplossing, dus ook geen snijpunt.
Voor lijnen die loodrecht op elkaar staan, geldt ook een vaste regel. Vermenigvuldig de twee richtingscoëfficiënten, dan krijg je −1. Neem y = 2x + 1 en y = −0,5x + 4. Dan is 2 × (−0,5) = −1. Deze twee lijnen staan loodrecht op elkaar.
Probeer het zelf
Geef de formule van de lijn door (2; 1) en (6; 3).
Bekijk het antwoord
Δx = 6 − 2 = 4 en Δy = 3 − 1 = 2. Dan is a = 2 ÷ 4 = 0,5. Vul (2; 1) in: 1 = 0,5 × 2 + b, dus b = 0. De formule is y = 0,5x.
Een tabel: bij x = 0, 1, 2 en 3 hoort y = 7, 4, 1 en −2. Geef de formule.
Bekijk het antwoord
De stap in y is steeds −3, dus a = −3. Bij x = 0 hoort y = 7, dus b = 7. De formule is y = −3x + 7.
Waar snijden y = 2x + 1 en y = −x + 7 elkaar?
Bekijk het antwoord
2x + 1 = −x + 7, dus 3x = 6 en x = 2. Dan is y = 2 × 2 + 1 = 5. Het snijpunt is (2; 5). Controle met de tweede lijn: −2 + 7 = 5.
Lees ook
Machten en wortels
Machten en wortels: de rekenregels
Wat een macht is, de vier rekenregels, negatieve exponenten en hoe je √72 vereenvoudigt. Met figuren waarin je schuift en telt.
Vergelijkingen oplossen
Vergelijkingen oplossen: balans en grafiek
Los vergelijkingen op met de balansmethode, met haakjes en breuken, met twee lijnen en met x², van ontbinden tot de abc-formule.
Stelling van Pythagoras
Pythagoras in het vlak en in de ruimte
Waarom a² + b² = c² klopt, hoe je een zijde uitrekent, hoe je een rechte hoek controleert en hoe je afstanden en ruimtediagonalen vindt.